| Chapter 15 |
|
Then came to Jesus scribes and Pharisees, which were of Jerusalem, saying, |
| Toen kwamen tot Jezus enige Schriftgeleerden en Farizeen, die van Jeruzalem waren, zeggende:
|
|
Why do thy disciples transgress the tradition of the elders? for they wash not their hands when they eat bread. |
| Waarom overtreden Uw discipelen de inzetting der ouden? Want zij wassen hun handen niet, wanneer zij brood zullen eten.
|
|
But he answered and said unto them, Why do ye also transgress the commandment of God by your tradition? |
| Maar Hij, antwoordende, zeide tot hen: Waarom overtreedt ook gij het gebod Gods, door uw inzetting?
|
|
For God commanded, saying, Honour thy father and mother: and, He that curseth father or mother, let him die the death. |
| Want God heeft geboden, zeggende: Eert uwen vader en moeder, en: Wie vader of moeder vloekt, die zal de dood sterven.
|
|
But ye say, Whosoever shall say to his father or his mother, It is a gift, by whatsoever thou mightest be profited by me; |
| Maar gij zegt: Zo wie tot vader of moeder zal zeggen: Het is een gave, zo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen; en zijn vader of zijn moeder geenszins zaleren, die voldoet.
|
|
And honour not his father or his mother, he shall be free. Thus have ye made the commandment of God of none effect by your tradition. |
| En gij hebt alzo Gods gebod krachteloos gemaakt door uw inzetting.
|
|
Ye hypocrites, well did Esaias prophesy of you, saying, |
| Gij geveinsden! Wel heeft Jesaja van u geprofeteerd, zeggende:
|
|
This people draweth nigh unto me with their mouth, and honoureth me with their lips; but their heart is far from me. |
| Dit volk genaakt Mij met hun mond, en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij;
|
|
But in vain they do worship me, teaching for doctrines the commandments of men. |
| Doch tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden van mensen zijn.
|
|
And he called the multitude, and said unto them, Hear, and understand: |
| En als Hij de schare tot Zich geroepen had, zeide Hij tot hen: Hoort en verstaat.
|
|
Not that which goeth into the mouth defileth a man; but that which cometh out of the mouth, this defileth a man. |
| Hetgeen ten monde ingaat, ontreinigt den mens niet; maar hetgeen ten monde uitgaat, dat ontreinigt den mens.
|
|
Then came his disciples, and said unto him, Knowest thou that the Pharisees were offended, after they heard this saying? |
| Toen kwamen Zijn discipelen tot Hem, en zeiden tot Hem: Weet Gij wel, dat de Farizeen deze rede horende, geergerd zijn geweest?
|
|
But he answered and said, Every plant, which my heavenly Father hath not planted, shall be rooted up. |
| Maar Hij, antwoordende zeide: Alle plant, die Mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden.
|
|
Let them alone: they be blind leaders of the blind. And if the blind lead the blind, both shall fall into the ditch. |
| Laat hen varen; zij zijn blinde leidslieden der blinden. Indien nu de blinde den blinde leidt, zo zullen zij beiden in de gracht vallen.
|
|
Then answered Peter and said unto him, Declare unto us this parable. |
| En Petrus, antwoordende, zeide tot Hem: Verklaar ons deze gelijkenis.
|
|
And Jesus said, Are ye also yet without understanding? |
| Maar Jezus zeide: Zijt ook gijlieden alsnog onwetende?
|
|
Do not ye yet understand, that whatsoever entereth in at the mouth goeth into the belly, and is cast out into the draught? |
| Verstaat gij nog niet, dat al wat ten monde ingaat, in de buik komt, en in de heimelijkheid wordt uitgeworpen?
|
|
But those things which proceed out of the mouth come forth from the heart; and they defile the man. |
| Maar die dingen, die ten monde uitgaan, komen voort uit het hart, en dezelve ontreinigen den mens.
|
|
For out of the heart proceed evil thoughts, murders, adulteries, fornications, thefts, false witness, blasphemies: |
| Want uit het hart komen voort boze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen.
|
|
These are the things which defile a man: but to eat with unwashen hands defileth not a man. |
| Deze dingen zijn het, die den mens ontreinigen; maar het eten met ongewassen handen ontreinigt den mens niet.
|
|
Then Jesus went thence, and departed into the coasts of Tyre and Sidon. |
| En Jezus van daar gaande, vertrok naar de delen van Tyrus en Sidon.
|
|
And, behold, a woman of Canaan came out of the same coasts, and cried unto him, saying, Have mercy on me, O Lord, thou Son of David; my daughter is grievously vexed with a devil. |
| En ziet, een Kananese vrouw, uit die landpalen komende, riep tot Hem, zeggende: Heere! Gij Zone Davids, ontferm U mijner! mijn dochter is deerlijk van denduivel bezeten.
|
|
But he answered her not a word. And his disciples came and besought him, saying, Send her away; for she crieth after us. |
| Doch Hij antwoordde haar niet een woord. En Zijn discipelen, tot Hem komende, baden Hem, zeggende: Laat haar van U; want zij roept ons na.
|
|
But he answered and said, I am not sent but unto the lost sheep of the house of Israel. |
| Maar Hij, antwoordende, zeide: Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israels.
|
|
Then came she and worshipped him, saying, Lord, help me. |
| En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij!
|
|
But he answered and said, It is not meet to take the children's bread, and to cast it to dogs. |
| Doch Hij antwoordde en zeide: Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen, en den hondekens voor te werpen.
|
|
And she said, Truth, Lord: yet the dogs eat of the crumbs which fall from their masters' table. |
| En zij zeide: Ja, Heere! doch de hondekens eten ook van de brokjes die er vallen van de tafel hunner heren.
|
|
Then Jesus answered and said unto her, O woman, great is thy faith: be it unto thee even as thou wilt. And her daughter was made whole from that very hour. |
| Toen antwoordde Jezus, en zeide tot haar: O vrouw! groot is uw geloof; u geschiede, gelijk gij wilt. En haar dochter werd gezond van diezelfde ure.
|
|
And Jesus departed from thence, and came nigh unto the sea of Galilee; and went up into a mountain, and sat down there. |
| En Jezus, van daar vertrekkende, kwam aan de zee van Galilea, en klom op den berg, en zat daar neder.
|
|
And great multitudes came unto him, having with them those that were lame, blind, dumb, maimed, and many others, and cast them down at Jesus' feet; and he healed them: |
| En vele scharen zijn tot Hem gekomen, hebbende bij zich kreupelen, blinden, stommen, lammen, en vele anderen, en wierpen ze voor de voeten van Jezus; enHij genas dezelve.
|
|
Insomuch that the multitude wondered, when they saw the dumb to speak, the maimed to be whole, the lame to walk, and the blind to see: and they glorified the God of Israel. |
| Alzo dat de scharen zich verwonderden, ziende de stommen sprekende, de lammen gezond, de kreupelen wandelende, en de blinden ziende; en zijverheerlijkten den God Israels.
|
|
Then Jesus called his disciples unto him, and said, I have compassion on the multitude, because they continue with me now three days, and have nothing to eat: and I will not send them away fasting, lest they faint in the way. |
| En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide: Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare, omdat zij nu drie dagen bij Mij geblevenzijn, en hebben niet wat zij eten zouden; en Ik wil hen niet nuchteren van Mij laten, opdat zij op den weg niet bezwijken.
|
|
And his disciples say unto him, Whence should we have so much bread in the wilderness, as to fill so great a multitude? |
| En Zijn discipelen zeiden tot Hem: Van waar zullen wij zovele broden in de woestijn bekomen, dat wij zulk een grote schare zouden verzadigen?
|
|
And Jesus saith unto them, How many loaves have ye? And they said, Seven, and a few little fishes. |
| En Jezus zeide tot hen: Hoevele broden hebt gij? Zij zeiden: Zeven, en weinige visjes.
|
|
And he commanded the multitude to sit down on the ground. |
| En Hij gebood den scharen neder te zitten op de aarde.
|
|
And he took the seven loaves and the fishes, and gave thanks, and brake them, and gave to his disciples, and the disciples to the multitude. |
| En Hij nam de zeven broden en de vissen, en als Hij gedankt had, brak Hij ze, en gaf ze Zijn discipelen; en de discipelen gaven ze aan de schare.
|
|
And they did all eat, and were filled: and they took up of the broken meat that was left seven baskets full. |
| En zij aten allen en werden verzadigd, en zij namen op, het overschot der brokken, zeven volle manden.
|
|
And they that did eat were four thousand men, beside women and children. |
| En die daar gegeten hadden, waren vier duizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen.
|
|
And he sent away the multitude, and took ship, and came into the coasts of Magdala. |
| En de scharen van Zich gelaten hebbende, ging Hij in het schip, en kwam in de landpalen van Magdala.
|